Op ons eerste gesprek vertelde de psycholoog dat ze al vaker zag dat mensen die terminaal ziek zijn uiteindelijk wel tot een soort aanvaarding komen wat hun eigen lot betreft, maar dat het een ander verhaal wordt als het gaat over de mensen die ze het aller- allerliefste zien. Aanvaarding wat mijzelf betreft, daar ben ik nog niet, ik weet niet goed in welk stadium ik mij bevind, ik voel mij op heden een soort waarnemer. Ik weet wat er is, ik weet wat er gaat gebeuren, ik vind het een behoorlijke shittoestand en intussen probeer ik te leven en omarm ik alles dat mijn dagen mooier maakt.
Maar dat andere.
Ik kan geen halve seconde denken aan de mensen die ik het allerliefste zie, of ik ben bij elkaar te rapen schroot. Mijn moeder bijvoorbeeld zal een kind verliezen, een volwassen kind weliswaar, maar voor haar is dat het zoveelste dat haar zal overkomen in een moeilijk leven dat haar weinig rechtvaardig behandelde. Door een misverstand dacht ze in het begin ook dat ik kon genezen wat alles nog pijnlijker maakte. Ik probeer het onderwerp een beetje te vermijden op onze zondagse bezoeken maar ik weet dat zij er aan denkt en zij weet dat ik er aan denk.
En dan.
Religie en spiritualiteit zijn niet aan mij besteed, ik vrees dat ik weleens durf lachen met mensen die hun handen leggen in iets dat van bovenaf of van buiten zichzelf komt. En toch ben ik één keer in mijn leven een kaars gaan branden in de Sint-Baafskathedraal, en dat was toen ik hoogzwanger was. Een kaars voor gezondheid, geluk en alle goede dingen voor de dochter die er aan kwam. Cheesy, maar het is niet anders. Toen ze geboren werd had dat bij mij het effect uit de boekjes: instant allesoverheersende liefde, inclusief babyblues omdat ik zo’n prachtig wezen op deze wrede wereld had gezet. Meer dan 24 jaar later, woelige wateren, een tijdelijk maar complex co-ouderschap later is het niet anders. Bovendien woont ze thuis en is ze op alle vlak mijn steun en toeverlaat, te veel zelfs, voor iemand die ook nog een meer dan fulltime job en nood aan een sociaal leven met leeftijdsgenoten heeft. Maar zo is het wel.
Wat mij bekruipt als ik denk aan haar, aan ons als ik er niet meer ben is totale wanhoop. Egocentrische gevoelens ook. Het idee dat ik nog vele jaren, tot ik een erg oude knorrige bomma was zou mogen genieten van haar bestaan op zich, het blije, bijna vrolijke gevoel als ze de kamer binnenkomt of zelfs als ze een foto doorstuurt. Haar humor. Het feit dat ik haar kan troosten. De keren dat ik onder mijn voeten krijg omdat ik te overbeschermend reageer of te prikkelbaar ben. Ruzie maken en het bijleggen. Eten voor de televisie en naar volstrekt hersenloze programma’s kijken. Het geheel, dat mij zo gelukkig maakt.
Dat, en ratio heeft hier weinig mee te maken, wordt mij ontstolen. Minstens dertig jaar geluk (want ik was zinnens echt heel oud te worden) ontvreemd.
En ook de zorgen over hoe zij zal omgaan met mijn verdwijnen. Hoe zij voor een groot stuk voor mijn moeder zal moeten zorgen. Aan wie anders dan ik zij sommige nu vragen zal moeten stellen. Ik weet het, ze is geen kind, maar een erg volwassen en zelfstandige vrouw. Ze heeft wijsheid. Maar ze zal voor altijd iemand zijn die jong haar moeder verloor. Dertig jaar moeder- en dochter zijn zal niet zijn. En het maakt niet uit in welke mate ik uiteindelijk voor mijzelf tot aanvaarding kom, ik weet dat ik dat nooit zal acccepteren.
Geef een reactie op Els Reactie annuleren